Leesvaardigheid-nederlands.jouwweb.nl
Home » Zins- en alineaverbanden en signaalwoorden

Zins- en alineaverbanden en signaalwoorden

Zinnen en alinea's staan niet zomaar achter elkaar. Vaak hebben ze een verband met elkaar.  Zo kan in een uitspraak staan en daar in de volgende zin een voorbeeld bij worden gegeven: 'Het broeikaseffect heeft grote invloed op het leven op aarde. Dat zie je bijvoorbeeld aan de stijging van de zeespiegel.' Je hebt dan te maken met een zinsverband. Er kan ook een verband bestaan tussen alinea's. Dan is er sprake van een alineaverband. Zo kan in een alinea beschreven worden dat jongeren tegenwoordig vaak te dik zijn en dat dit gevaren oplevert. Een volgende alinea kan dan voorbeelden van die gevaren noemen.

Het verband tussen zinnen en alinea's kun je bepalen door goed naar de inhoud te kijken. Ook wordt het verband vaak aangegeven door een signaalwoord of een groepje signaalwoorden. Een signaalwoord geeft als het ware een seintje aan de lezer: let op, nu komt er een voorbeeld of een uitleg.

Er bestaan allerlei verbanden tussen zinnen en alinea's. In het volgende stukje  behandelen we er vier: uitspraak-voorbeeld, uitspraak-opsomming, tegenstelling, middel-doel.

- Uitspraak-voorbeeld

In een tekst staat een uitspraak of een bewering. Daarna volgen een of meer voorbeelden. Signaalwoorden: bijvoorbeeld, als voorbeeld, zo.

Voorbeeld 1

Je kunt in de spits haast niet meer opschieten in de Randstad (= uitspraak, bewering). Zo kost het je vaak twee uur om van Den Haag naar Rotterdam te reizen, een afstand die je normaal in twintig minuten aflegt (= voorbeeld).

- Uitspraak-opsomming

Na een uitspraak of bewering worden verschillende dingen achter elkaar opgenoemd. Signaalwoorden: ook, verder, bovendien, nog, daarnaast, niet alleen ... maar ook, ten eerste ... ten tweede.

Voorbeeld 2

Mijn vrije tijd gebruik ik voor leuke dingen (uitspraak/bewering). In de eerste plaats sport ik graag. Verder houd ik van televisiekijken. Ook  vind ik het heerlijk om een spannend boek te lezen (= opsomming van drie zaken).

- Tegenstelling

Er wordt iets gezegd en daarna wordt het tegenovergestelde beweerd. Signaalwoorden: maar, daarentegen, echter, integendeel, enerzijds ... anderzijds, daar staat tegenover.

Voorbeeld 3

Evert is een ontzettend avontuurlijke vent (= uitspraak). Zijn vriend daarentegen is een enorme huismus die er geen behoefte aan heeft bijzondere dingen te beleven (= tegenstelling).

- Middel-doel

Iemand noemt een doel en daarbij een middel waar dat doel mee kan worden bereikt. Signaalwoorden: waarmee, daarmee, met dat doel, het doel is, door middel van, om, om te ...

Voorbeeld 4

De  stichting Wakker Dier komt op voor de dieren (= het doel). Door middel  van reclamespotjes op de televisie vraagt die club aandacht voor het ellendige leven van kippen en varkens in de bio-industrie.